Drie koningen zagen een sterre

SAN SALVATORGEMEENSCHAP / DATUM zaterdag 5 januari 2019

THEMA: Drie koningen zagen een sterre

Voorganger Wilton Desmense

Lector Corrie Dansen

Muzikale begeleiding Gieneke Ruyters           Cantor Hans Moerman

OPENINGSLIED: Zo maar een dak

WELKOM

In het Oude Testament is voorspeld (Numeri 24:17) dat, wanneer de ster verschijnt, er iets wezenlijks gaat gebeuren. Daar staat: “Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen.” Het is een verwijzing naar de komst van de Messias, de Redder van Israël. Dit is de enige keer dat een ster met een profetische, symbolische betekenis genoemd wordt in het Oude Testament. Pas in Openbaring wordt de ster weer als profetisch object gezien! In het verhaal van de drie koningen kun je zeggen: We volgen een ster: maar waarom? We zoeken: maar wat? Hoe zeker weten we dat die ster ons brengt waar we willen zijn? Als deze ster érgens voor staat, is het: een verlangen. Dat zou een heel duidelijk verlangen kunnen zijn. Welk verlangen is ons verlangen? Welke ster volgen wij?

 

GEBED

In deze donkere dagen van het jaar
verlangen we naar warmte en licht.
De verwarming is aan en er branden kaarsen.
Moge het echte Licht komen onder de mensen,
een Licht dat nooit meer uit- of onder gaat.

Mogen wij de weg erheen volgen,

vol volharding en vol verwachting.

ACCL.: Drie wijzen met wierook

 INLEIDING OP DE LEZINGEN

De lezingen van vandaag spreken van licht,

van licht dat komt. In de eerste lezing komt het licht zelf naar de mensen, in de tweede lezing gaan mensen actief op zoek naar het licht toe:

illustratief voor de omslag van het Oude naar het Nieuwe Testament, van passief geloven naar actief geloven.

EERSTE LEZING (Jesaja 60, 1-6)

De Heer zegt:

Jeruzalem, wees niet langer bedroefd. Laat het licht over je schijnen, het licht van de Heer. Hij komt naar je toe als een stralende zon. Alle volken leven in het donker, de hele aarde is zo donker als de nacht. Maar over jou schijnt het licht van de Heer.

Iedereen ziet dat stralende licht. De volken en de koningen, ze komen allemaal naar je toe, Jeruzalem. Ze volgen allemaal dat stralende licht, ze willen allemaal naar die schitterende stad. Doe je ogen maar open, Jeruzalem, en kijk om je heen. Daar komen je inwoners aan! Ze komen allemaal naar je toe, vanuit verre landen. Andere volken brengen hen veilig thuis. Ze dragen je inwoners alsof het hun eigen kinderen zijn. Jeruzalem, kijk! Je ogen zullen stralen van blijdschap, en je hart zal bonzen van vreugde. Die volken brengen ook geschenken voor je mee. Ze nemen hun rijkdommen mee uit verre landen. Ze brengen veel kamelen mee, jonge kamelen uit Midjan en Efa. En de mensen uit Seba komen met veel wierook en goud. Zij vertellen allemaal hoe machtig de Heer is.

 LIED: Er is een stad (= Jerusalaim)

TWEEDE LEZING (Mattheus 2, 1-12)

Jezus werd geboren in Betlehem in Judea. Toen Hij geboren was, kwamen wijze mannen uit het Oosten naar Jeruzalem. In die tijd was Herodes koning. Ze vroegen: “Waar kunnen we de koning van de Joden vinden, die kort geleden is geboren? We hebben in het oosten zijn ster zien opgaan. We zijn gekomen om hem te eren en hem geschenken te brengen.”

Dit was een grote schok voor koning Herodes en de bewoners van Jeruzalem. Herodes liet de leiders van de priesters en de wetgeleerden van Jeruzalem bij zich komen. Hij wilde van hen weten waar de Messias  geboren zou worden. Ze antwoordden: “Hij wordt in Betlehem in Judea geboren. Want de profeet Micha heeft opgeschreven: ‘En jij, Betlehem in het land van Juda, jij bent minstens zo belangrijk als de grote steden van Juda. Want in jou zal iemand geboren worden die mijn volk Israël als een herder zal leiden.”

Toen liet Herodes in het geheim de wijze mannen bij zich komen. Hij wilde heel precies van hen weten, wanneer ze de ster voor het eerst hadden gezien. Daarna stuurde hij hen naar Betlehem. En hij zei tegen hen: “Ga dat kind zoeken. Als jullie het hebben gevonden, moeten jullie het mij laten weten. Want dan ga ik daar ook naar toe om het te eren en het geschenken te brengen.” Zo vertrokken ze.

De ster die ze in het oosten hadden gezien, ging voor hen uit. Hij bleef staan boven de plaats waar het kind was. Toen ze de ster daar zagen, waren ze erg blij. Ze gingen het huis binnen en vonden daar het kind met zijn moeder Maria. Ze knielden neer en aanbaden het. En ze gaven het dure geschenken: goud, wierook en mirre. Maar God waarschuwde hen in een droom om niet naar Herodes terug te gaan. Daarom reisden ze langs een andere weg naar hun land terug.

ACCL.: D’heilige drie Koon’gen uit zo verre land

OVERWEGING

T.S. Elior schreef een gedicht dat door Martinus Nijhof onder de titel De Reis van de Drie Koningen als volgt uit het Engels is vertaald:

Het was een koude tocht, en de slechtste tijd van het jaar voor een reis, voor zulk een verre reis.

De wegen modderig, het weer guur, de winter op zijn strengst. De kamelen, die hun knieën ontvelden, hun hoeven bezeerden, werden onhandelbaar

en legden zich neer in de smeltende sneeuw.

Menigmaal dachten we met spijt terug aan onze zomerpaleizen op bloeiende berghellingen, aan meisjes, in zijde gehuld, die gekoelde wijn ronddienden. Onze kameeldrijvers vloekten, kankerden, weigerden dienst, riepen om brandewijn en vrouwen. Onze kampvuren wilden niet branden, onderdak was moeilijk te vinden, de steden waren vijandig, de dorpen stug, de gehuchten smerig en verschrikkelijk duur: het was een ellendige tocht.

Tenslotte reisden wij de gehele nacht door, sliepen zo nu en dan langs de wegkant en hoorden gedurig in onze oren zingende stemmen, zeggend: jullie onderneming is waanzin.

Eindelijk, toen het licht werd, daalden we neer in een luw dal, vochtig, onder de sneeuwlijn, geurend naar groeizaamheid; een beek snelde voort, een watermolen karnde het duister, er waren drie bomen onder een bewolkte lucht, en een oud wit paard galoppeerde door een weiland. Wij kwamen bij een herberg met wijngaard-ranken boven de stoep. Zes handwerks-lieden dobbelden bij de open deur om zilverlingen en zes voetknechten schopten lege wijnzakken over de vloer. Maar niemand kon ons inlichtingen verschaffen, en zo gingen we verder, en bereikten des avonds, geen uur te vroeg,

de plaats van bestemming; het was (dat mag ik wel zeggen) de moeite waard.

Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden

en zou het over willen doen, maar ik stel, dit vooropgesteld, één vraag: was het doel dat ons dreef geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker, daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood zag, dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter

was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood. Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken, maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen. Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.

(De reis van de drie koningen, Martinus Nijhoff – T.S. Eliot)

Tot zover het gedicht over drie koningen die na een moeilijke tocht de pasgeboren Jezus aanschou-wen. De tocht is vol ontberingen, leidt door een bijna Siberische koude, “onze kampvuren wilden niet branden”, en voert weg van de weelde en rijkdom, waarin de drie thuis baden. Als ze eindelijk arriveren op de beloofde plaats, is het duidelijk dat wat ze te zien krijgen zeldzaam gewoon is, nietig. En vooral: dat het zal lijden.

De dichter maakt geen woord vuil aan wie de Wijzen zien. Wel laat hij een van hen zeggen dat de aanblik satisfactory is, “De moeite waard”, vertaalt Nijhoff, “ze gaf voldoening”. Dat lijkt mager, maar maakt het waarheidsgetrouw: je begint te begrijpen dat de koningen zochten naar wat niets anders kon zijn dan het volkomen tegendeel van wat zij zelf waren. De reis is pas de moeite waard als zij erdoor gaan inzien dat macht, rijkdom en faam hun bestaan niet rechtvaardigen. Iets machteloos’, onaanzien-lijks, gerings, sterfelijks en in zekere zin wanhopig stemmends, dat krijgen zij te zien. De drie Wijzen zien in de bron van hun nieuwe geloof – de Menswording – niets triomfantelijks. Hun wereld is op zijn kop gezet. De macht die zij zochten schuilt in zwakheid. (Willem Jan Otten, Woeste vragen, Trouw 19-12-2009)

Daarom is het gerechtvaardigd om aan de drie koningen, wier gouden kronen voor hen ook niets meer te betekenen hadden, een nieuwe hoed te vragen: van je ouwe, versleten hoofddeksel voor je hersenpan moet je het niet hebben om nieuwe inzichten tevoorschijn te kunnen toveren. En ook niet van al te behouden ouderen, die je zouden willen afremmen of niet thuis geven. Zet op, die nieuwe hoed, en hopelijk zijn onze goede voornemens dan zo gepiept in een wereld als een zomerhuis. Zo zij het.

LIED: Drie koningen zagen een sterre

VOORBEDEN

We bidden om licht voor alle mensen die hun lot in de sterren proberen te lezen, voor wie zekerheid zoeken in een leven vol onzekerheden; dat zij houvast vinden in de God die zich openbaart in de goedheid van mensen. Laat ons zingend bidden.

ACCL.: Heer onze God wij bidden U verhoor ons

Wij bidden om licht voor de groten der aarde die kost wat kost willen vasthouden aan hun macht, dikwijls ook ten koste van de kleine man, dat zij gaan beseffen dat God alle groot-heidswaanzin afwijst en dienstbaarheid van hen vraagt. Laat ons zingend bidden.

ACCL.

Wij bidden om licht voor onszelf; dat wij verder kijken dan onze eigen leefomgeving dat volkeren van andere continenten ons ter harte gaan, dat we beseffen dat God er is voor alle rassen en talen.
Laat ons zingend bidden.

ACCL.

We bidden voor de intenties in ons intentieboek.

… Ook gedenken we onze lieve overledenen.

ACCL.

God van mensen, laat uw licht schijnen door ieder van ons, dat wij een ster aan de hemel zijn die anderen de weg wijst naar U toe, dat wij een stal zijn waarin vriend en vreemde welkom is, in de naam en in de geest van Jezus, uw woord bij uitstek
dat klinken blijft door alle eeuwen heen.

 

TAFELGEBED: Jij, oorsprong van elk zoeken

ONZE VADER

eindigend met accl.: Want van U is de toekomst

VREDESWENS

LIED: Ik danste in de ochtend toen de wereld begon

BREKEN EN DELEN

LIED: Jij bent voor mij geen kerstkind in een stal

Refrein

Jij bent voor mij geen kerstkind in een stal

Jij wordt voor mij geboren overal

waar mensen zijn, waar mensen zijn

leef jij weer op en wordt steeds weer vermoord.

Vrede is een onvergetelijk woord,

het was jouw droom:maak vrede, zeg ‘t voort.

Oorlog hebben wij ervan gemaakte

en hongersnood, verdrukking, rassenhaat.

Refrein

“Leven,” zei je, “leven als een mens,

ja, dat is liefde geven, heel intens!”

Liefde hebben wij nog niet verleerd,

wij hebben lief, al lijkt het omgekeerd.

 Refrein

………….

leef jij weer op, word jij steeds weer gehoord.

(origineel: Los Reyes Magos; tekst Hans Waegemakers)

 GEBED

Wij gaan onze weg terug, de wereld in, een andere weg dan die waarlangs wij kwamen. Wij gaan nu de weg van geloof, hoop, liefde, goedheid en trouw.
Het is de weg van dromen van licht en liefde.
Wij bidden om zegen voor ons, voor onze dromen, voor de weg die we gaan, onze ster achterna,

in Zijn naam die alles en allen is in één. Amen.

 MEDEDELINGEN

 

SLOTGEDACHTE

Er was een mannetje dat zich verveelde,
want de kermis was dicht en de kerk was dicht en uit het café kwam ook geen licht. En hij dacht:

Ik wou dat er wat gebeurde …

En toen keek-ie naar de lucht en hij zag:

honderdduizend sterren of nog wel wat meer misschien. “Ja, maar al die sterren heb ik al zo vaak gezien. Ach, ik wou dat er wat gebeurde …

En toen viel er een ster! En als er een ster valt mag je een wens doen, mag je een wens doen als je ‘t ziet. Als er een ster valt, mag je een wens doen:
“Wat zal ik wensen – ik weet het niet.”

Maar het was een heel slim mannetje, want hij zei: “Ik wens, ik wens dat er nog een ster valt. Dan heb ik nog even tijd om te denken.”

En het gebeurde …
Maar nog wist hij niet wat hij zou wensen, dus zei hij: “Ik wou dat er nóg een ster viel en nog één – en weer één – en weer en meer.” Totdat: er nog maar één ster aan de hemel stond.
En ook die viel.

En hij dacht: ik had zoveel kunnen wensen,
ik heb zoveel bedacht, maar alles wat ik wilde, is verdronken in de nacht.
Maar het was nog altijd een heel slim mannetje
– tenminste dat dacht-ie – , want hij zei:
“Ik wens dat de aarde valt.”
En het gebeurde …

En op een andere planeet
was een mannetje, dat zich verveelde
en hij dacht:
Ik wou dat er wat gebeurde …!

   (Elly Nieman)
GEZAMENLIJKE ZEGEN

Eeuwige,

Jij hebt ons uitgezonden in de wereld.

Zegen ons om levende getuigen te zijn van jouw liefde.

Zegen onze ogen om scherp te zien, wat mensen beweegt, bemoedigt of benauwt.

Zegen onze oren om woorden op te vangen van hoop, kracht en uithoudingsvermogen.

Zegen onze lippen om te spreken voor de mensen zonder stem.

Daarvoor vragen we jouw zegen, in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

SLOTLIED: Dans van de zee

Nog geen reacties

Reactie plaatsen