Een Psalm Centraal
Psalm 23
26 april 2026
San Salvator Gemeenschap
Stilte
Welkom
We (…) waren blij dat deze ‘herder’ psalm voor zondag de 26e april op het rooster stond. Jacolien en ik zingen deze psalm met Melodiek namelijk erg graag. De psalm is optimistisch en gaat uit van gelijkwaardigheid (dat jij mijn voeten wast…). Veel psalmen roepen vanuit de diepten van het menselijk bestaan om antwoord, naar een God/Eeuwige/Herder? die zwijgt en zich maar niet laat zien, die onzichtbaar en onvindbaar is. Ook de profeten hebben doorgaans geen goed woord over voor deze wereld – en geef ze eens ongelijk. Tot op vandaag roepen profeten en klokkenluiders vaak tegen dovemansoren. Die grote afwezige klinkt ook door in veel van de 150 psalmen. Maar gelukkig is er in veel psalmen, en zeker in psalm 23, een kiertje licht aan het eind van de tunnel.
Naast psalm 23 lezen we de versen uit Johannes over ‘keurige schapenherder die door de deur binnenkomt’. Het beeld dat deze lezing oproept van onszelf als makke, volgzame schapen onder helderblauwe luchten in kakelgroene weiden (een soort all-inclusive resort), is wel een tegenstelling met de somberheid van profeten en de wanhoop van klokkenluiders. We zochten daarom ook naar het kartelrandje bij de roze-wol combinatie van psalm 23 en de Johannes versen. Dit doen we voornamelijk met materiaal dat we elders vonden. Laten we beginnen!
Eerst lezen we de Psalm aan de hand van een mooi schilderij waarin alle facetten van psalm 23 worden afgebeeld.
Afbeelding: Christa Rosier, psalmenschilderijen.nl
1 De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken.
Onderaan staat in het Hebreeuws: “De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets, ik vrees geen kwaad.”
2 Hij wijst mij te liggen in grazige weiden, hij voert mij naar wateren der rust.
3 Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen, hij leidt mij in sporen van waarheid getrouw aan zijn naam.
4 Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen.
Groen en blauw ( weide en water) zijn de kleuren die overheersen in het middengedeelte, dat omgeven wordt door het donkere dal.
Daarachter gaan ‘rechte sporen’ (sporen van waarheid getrouw aan zijn naam) naar het huis van de heer
Want naast mij gaat gij, uw stok en uw staf, zij doen mij getroost zijn.
Gods stok en staf zijn aan de rechterkant van het schilderij ‘samengebracht’ tot de menora (zevenarmige kandelaar), symbool van zijn eeuwige aanwezigheid.
5 Een tafel richt gij mij aan in het aangezicht van mijn belagers en zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over.
Op de voorgrond ‘de dis’ en een oliekruikje.
6 Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden al de dagen mijns levens. Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.
“De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets, ik vrees geen kwaad.”
Gelukkig stond Coby al op het rooster en hebben we pianobegeleiding voor onze zang. We zingen een ander ‘vertrouwen’-lied ter verdieping:
Lied: Die mij droeg op adelaarsvleugels
Lezing Johannes Hoofdstuk 10, versen 1-10
De goede herder en de schapen
1 ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. 2 Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. 3 Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem: hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4 En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen. 5 een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.’ 6 Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat hij hun wilde zeggen. 7 Een andere keer zei Jezus tot hen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. 8 Allen die voor mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. 9 Ik ben de deur. Als iemand door mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in en uitgaan en weide vinden. 10 De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed.
Lied: Zijt Gij mij God een herder
Toelichting Johannes lezing
De Johannes lezing spreekt over dieven en rovers die niet door de deur de schaapskooi binnen gaan, over schapen die door de herder naar buiten worden geleid en Jezus die de deur is waardoor schapen in en uit kunnen gaan om te worden gered. Ook in psalm 23 komen twee verschijningsvormen naar voren: de eeuwige aanwezigheid die borg staat voor mooie natuur, en het rechte pad en daarnaast de vriend die je beschermt, ruimte geeft en ook gezellig de tafel voor je dekt. Dus toch all-inclusive? Johannes past daarmee goed in onze tijd, denkend aan het doe-het-zelf/voor elk wat wils gedrag van de moderne gelovigen. Wellicht vergeten we toch iets? De geweldadige dood van Jezus aan het kruis? Rutger Kopland verwoordt deze tweestrijd als volgt:
Rutger Kopland, Al die mooie beloften.
( psalm 23)
De grazige weiden, de stille wateren,
ik heb ze gezocht en inderdaad gevonden,
ze waren nog mooier
dan mij was beloofd,
prachtig.
En in dit liefelijk landschap de zoon
van de maker, aan een boom genageld,
maar geen spoor van geweld of verzet,
alleen maar vrede, rust.
Zijn lege ogen kijken het landschap in,
om zijn mond spelen eeuwige vragen,
waarom dan, wie ben je,
waar was je, e.d.
Zonder verwijt, hij moet hebben geweten
wat er zou gaan gebeuren.
Ik heb geen antwoord.
Lange stilte
Inleiding op de kast van de keizer. Ter reflectie?
De kast van de keizer (Uit: Geluk is een vlinder, door Sandy Taikyu Shimu)
In het oude China gaf de keizer een schrijnwerker opdracht een kast te maken voor de keizerlijke slaapkamer. De meester nam de opdracht aan maar zei tegen de keizer dat hij het de eerste vijf dagen moest laten afweten. De keizer legde zich hierbij neer, maar stuurde er wel een spion op uit om de meester in de gaten te houden.
Deze zat inderdaad de eerste vijf dagen ogenschijnlijk onbeweeglijk voor zich uit te kijken zonder ook maar één vinger uit te steken. Toen die tijd voorbij was stond hij op en maakte in drie dagen tijd de mooiste kast die je maar kon indenken. De keizer was heel blij maar ook nieuwsgierig en ontbood de meester aan het hof. Hij wilde uit diens eigen mond horen wat hij de eerste vijf dagen vóór hij aan het werk ging had gedaan.
De meester zei: ‘Op de eerste dag liet ik alle gedachten los die blijk gaven van angst, falen en bezorgdheid om de straf die me te wachten stond als ik een kast zou maken die de keizer niet beviel. Op de tweede dag liet ik alle gedachten los die te maken hadden met onzekerheid, twijfel aan mezelf en gebrek aan vertrouwen in mijn kunnen, het idee dat het me nooit zou lukken een passende kast voor de keizer te vervaardigen. Op de derde dag liet ik all gedachten los die werden gekenmerkt door hoop op herkenning, roem en een grote beloning als ik een kast wist te maken die de keizer beviel. Op de vierde dag liet ik alle gedachten los die konden leiden tot trots, arrogantie en ijdelheid wanneer de keizer mij zou prijzen voor mijn arbeid. Op de vijfde dag wendde ik mijn geestelijk vermogens aan om een volmaakte kast voor te stellen in het volste vertrouwen en met vaste overtuiging dat de kast zoals die thans voor u staat ook de keizer zou bevallen en hij zich geen andere zou wensen’.
Lied: Woord dat ruimte schept
collecte
Verder over Psalm 23
In veel psalmen kunnen we onze vragen en twijfels herkennen. In de vertaling van Huub Oosterhuis gebeurt dat in Psalm 23 aldus: Het begint niet meteen vanuit de rotsvaste overtuiging van ‘De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.’, maar met verlangen, verwachting: ‘Was jij mijn herder, niets zou mij ontbreken.’ Jij mijn herder?, vraagteken, Ik mag het hopen. In het laatste refrein is die vraag, een vaststelling geworden. Misschien nog niet zo rotsvast, maar toch met overtuiging te zingen: ‘Jij mijn herder, het zal mij nooit aan iets ontbreken’.
Ook in vers 4 van de psalm zit een mooie nuance. Waar vaak staat: ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad.’ Maakte Oosterhuis daarvan: ‘Moet ik de afgrond in, de doodsvallei, ik zal bang zijn’. Allicht, wie zou er niet bang zijn? Maar hij voegde eraan toe: ‘ben jij naast mij, ik zal niet doodgaan van angst.’
Dit vertrouwen zou een zegen zijn. Ik mag het hopen.
Lange stilte
Lied: Psalm 23 Was jij mijn herder gezongen
Jij mijn herder? Niets zou mij ontbreken.
Breng mij naar bloeiende weiden
doe mij liggen aan vlietend water
dat mijn ziel op adem komt
dat ik de rechte sporen weer kan gaan
achter jou aan.
Moet ik de afgrond in, de doodsvallei,
ik zal bang zijn — ben jij naast mij
ik zal niet doodgaan van angst.
Jij hebt de tafel gedekt — mijn spotters
weten niet wat ze zien:
dat jij mijn voeten wast,
ze zalft met balsem
mij inschenkt, drink maar, zeg je
Laat het zo blijven dit geluk
deze genade, al mijn levensdagen.
Dat tot in lengte van jaren
ik wonen zal bij jou in huis.
Jij mijn herder? Niets zal mij ontbreken.
